Vanmorgen lag ons jongste kuiken van een paar maand oud languit in het kippenhok. Ze bewoog nog een beetje, maar toen ik 5 minuten later met de kinderen en een doos met stro terug kwam, was ze al dood.

Op de boerderij wonen is erg leuk, vooral omdat we nu de ruimte hebben om wat dieren te houden. Maar het leven is ook hard en ik merk dat ik geen echte boerin ben. Ik rende namelijk naar binnen “Jongens, allemaal samenkomen, het gaat niet goed met Charly. Allemaal aankleden, tandenpoetsen en met een doos naar buiten. We gaan naar de dierenarts.” Toen ik het zei vroeg ik mij tegelijkertijd af of een dierenarts mij zal helpen of mij zal aankijken met een blik van “meen je dit nou serieus, een kuiken redden?”.

De kinderen stonden te kijken naar Charly en riepen zacht haar naam. Maar ze bewoog niet. Met een sneeuwschuiver schoof ik haar en een stapeltje stro naar buiten. We keken naar haar en ik stelde voor om haar te begraven. Mijn jongste dochter dacht dat Charly misschien gewoon sliep. Maar we prikten zachtjes met onze vinger tussen haar veren en moesten vaststellen dat ze niet sliep.

“Jammer”, zeiden mijn kinderen, “ze was de liefste en de kleinste!”. “Gelukkig hebben we nog twee kuikens”, vervolgden ze. Even keek ik ze aan. Echt, ben ik dan het enige watje hier?

Boris pakte een schep en begon een gat te graven. We legden Charly erin, op een bedje van stro. Iets verderop in het bos zaten de andere twee kuikens met hun 6 kippen en Daan de haan ons in de gaten te houden. Ana legde een paar bloemen op het zand. “Jammer”, zei ik, maar een echte boerin zou zeggen “Gelukkig hebben we er nog twee”.